vrijdag 11 november 2011

Timing van vragen naar eerdere successen

Als cliënten hun eigen positieve gedrag in levendige taal beschrijven, zet dat positieve verandering in gang. Vragen die cliënten uitnodigen om hun eigen positieve gedrag te beschrijven gaan over de toekomst, het heden en het verleden. Een vraag die uitnodigt positief gedrag in de toekomst te beschrijven is: ”Wat zou je kunnen doen als het beter gaat?” Een vraag die uitnodigt tot positieve gedragsbeschrijvingen in het heden is: ”Wat gaat je al goed af?” of: “Wat lukt er al goed?”. En de vragen naar eerdere successen nodigen uit tot positieve gedragsbeschrijvingen in het betere verleden: “Wat deed je toen het beter ging?”

Soms vinden cliënten de vraag naar eerdere successen moeilijk te beantwoorden. De gedachten zijn dan bij het probleem en bij de negatieve symptomen van het probleem. Als een cliënt het moeilijk vindt om een eerder succes te vinden is de vraag ook misschien wat te vroeg gesteld in het gesprek. Als iemand nog aan het vertellen is over waar hij last van heeft is de overgang naar wat hij in de plaats van het probleem wil misschien makkelijker te maken (natuurlijk wil je dit niet, hoe zou je willen dat het zou zijn?). Als de cliënt zijn gewenste situatie heeft beschreven put hij uit zijn fantasie over een betere toekomst, die raakvlakken heeft met wat hij in het verhttp://www.blogger.com/img/blank.gifleden al eens heeft meegemaakt toen het beter ging. Stelt de coach de eerdere successen vraag nadat de cliënt zijn gewenste situatie heeft beschreven dan zitten de gedachten van de cliënt al bij zijn eigen positieve gedrag. Nadenken over wanneer hij dat gedrag in het verleden al eens gedaan is dan ook sneller paraat. Het kan nog steeds zijn dat de cliënt het eerdere succes buiten zichzelf legt (het ging beter toen ik een andere leidinggevende had), maar ook dat is progressie want hij tast zijn geheugen toch af naar een beter verleden. “Wat deed je anders toen je een andere leidinggevende had?”, brengt het gesprek toch weer op de eigen positieve gedragsbeschrijvingen. In het schemaatje staan mogelijke interventies bij het uitvragen van de eerdere successen, zie de noam nieuwsbrief nummer 220

Vaak gestelde vragen op de eerste dag van de opleiding oplossingsgericht coachen

Gisteren startten we met een nieuwe cyclus van de Opleiding oplossingsgericht coachen. Op zo’n eerste dag komen vaak dezelfde soort vragen naar voren. Drie voorbeelden:

1. Vraag je in een oplossingsgericht gesprek zelf actief naar hoe een cliënt zich voelt? Als een cliënt boos is, vraag je dan bijvoorbeeld wat hem zo boos maakt en benoem je zijn gevoel: “Ik zie dat je boos bent”of “ik merk dat het je raakt, wat emotioneert je zo?”. Het antwoord op die vraag is “nee”. Je introduceert als oplossingsgerichte coach niet zelf dat het gesprek over gevoel moet gaan. Als de cliënt zelf praat over zijn gevoel, dan keur je dat natuurlijk niet af. Je erkent zijn gevoel en je helpt de cliënt om langzamerhand in termen van zijn eigen positieve gedrag te gaan praten, in plaats van over zijn innerlijke gevoelswereld. Zijn emoties volgen dan vanzelf. Als hij praat over zijn eigen positieve gedrag, worden zijn emoties positiever. Ook dat benoem je niet, de cliënt hoeft niet op metaniveau te reflecteren op wat er met hem gebeurt. Door de manier van praten krijgt hij meer zin om positieve dingen te gaan doen en beziet hij zijn werkelijkheid optimistischer in.

2. Benoem je in een oplossingsgericht gesprek wat je eigen gedachten zijn? Help je de cliënt om de dingen vanuit een ander gezichtspunt te bekijken? Het antwoord op vraag 1 is “nee” en op vraag 2 is “ja”. Het perspectief van de client verandert vaak razendsnel in een oplossingsgericht gesprek, maar die verandering vindt niet plaats door confrontatie met jouw perspectief. In plaats daarvan help je de client via de vragen die je stelt om de zaken van verschillende kanten te kunnen bekijken en vanuit andere perspectieven te kunnen denken.

3. Is het niet heel vervelend om samen te vatten in de woorden van de client? Het grappige is dat clienten nooit zeggen dat het vervelend is om de eigen woorden terug te horen. Deze zorg of ergernis komt meer van de coaches zelf en van mensen die een gesprek observeren. De client ervaart dat hij kan doordenken, dat zijn gedachtenproces niet stop gezet wordt en zijn aandacht niet naar de gedachten van de coach hoeven te worden verlegd. Het is wel vervelend als het herhalen van de woorden van de client zonder aansluiting of doorschakeling gebeuren. Aansluiten betekent dat je laat merken dat je het perspectief van de client begrijpt en erkend. Doorschakelen wil zeggen dat je een vervolg geeft aan de samenvatting, bijvoorbeeld door een vraag te stellen. Als de client alleen maar zijn woorden letterlijk terughoort, op een soort mechanische manier, dan stoort het wel en irriteert het wel om samen te vatten in diens woorden. Een alternatief voor het lettelijk herhalen van de woorden is om algemenere erkenningsinterventies te gebruiken, zoals:”ik begrijp dat je dat lastig vindt” of “natuurlijk wil je dat zo niet”.