maandag 12 maart 2012

Intelligentie: er is nog veel over te leren

In het artikel van Nisbett et al, getiteld Intelligence: New Findings and Theoretical Developments (2012) wordt een indrukwekkend overzicht gegeven van het onderzoek naar intelligentie. Ook behandelt het artikel de nog onopgeloste vragen die we hebben over intelligentie.

Een van de thema’s in het artikel is natuurlijk de discussie of IQ genetisch bepaald is, of dat IQ meer beïnvloed wordt door omgevingsfactoren. Er is steeds meer bewijs dat IQ ontwikkelbaar is en dat omgevingsfactoren sterke invloed hebben op het IQ. In het artikel worden vele onderzoeken die daarop wijzen behandeld. Tegenstanders van deze redenering halen vaak tweelingstudies aan, waaruit zou blijken dat tweelingen die bij de geboorte gescheiden zijn en in verschillende gezinnen worden groot gebracht toch hetzelfde IQ blijken te hebben. Voorstanders van de invloed van de omgeving op IQ wijzen erop dat het gemiddelde IQ de afgelopen eeuw indrukwekkend is gestegen, en in een aantal studies in een periode van 30 jaar over generaties heen met wel 20 IQ punten is toegenomen.

De ontdekking van die IQ toename blijkt dus paradoxale elementen in zich te hebben. De tweelingstudies tonen aan dat IQ sterk beïnvloed wordt door genetische factoren terwijl vele andere studies laten zien dat ons IQ sterk is toegenomen in de afgelopen eeuw. Hoe kunnen omgevingsfactoren tegelijkertijd zo sterk en zo zwak zijn? Nisbett haalt Dickens en Flynn (2001) aan. Die hebben een mogelijk antwoord dat je aan het denken zet. Als eeneiige tweelingen worden gescheiden na de geboorte, dan delen ze dezelfde genen. Die genen zorgen al snel voor een bepaalde reactie vanuit de omgeving. Als de tweeling bijvoorbeeld langer en sneller is dan gemiddeld, dan zullen beiden, ongeacht in welke stad of welk gezin ze opgroeien, al snel sporten als basketbal gaan spelen, in het schoolteam gekozen worden en professionele coaching krijgen. Er is voortdurend een dynamisch samenspel tussen persoon/genen en omgeving. Als een tweeling geboren wordt met slimmere hersenen, dan zullen ze, ookal worden ze gescheiden van elkaar opgevoed, al snel meer genieten van school, positievere feedback krijgen, gestimuleerd worden, daardoor meer leren en daardoor beter presteren en daardoor naar een goed vervolgonderwijs gaan etc etc. Dickens and Flynn (2001a, 2001b) noemen dit proces de individuele multiplier. Dankzij die individuele multiplier wordt het feit dat gescheiden tweelingen feitelijk sterk op elkaar gelijkende omgevingsfactoren delen, gemaskeerd en wordt hun vergelijkbare IQ volledig toegedicht aan hun genen.

Naast de individuele multiplier noemen Dickens en Flynn de sociale multiplier. Dat wil zeggen dat mensen elkaar aansteken. Als een paar mensen nieuwe vaardigheden leren, dan leren al snel veel meer mensen die vaardigheid, waardoor de samenleving als geheel beter wordt in die vaardigheid. Dankzij die sociale multiplier kunnen omgevingsfactoren een enorme stimulans zijn voor intelligentie, zonder dat er betere genen aan te pas hoeven te komen. Dat verklaart de toename in intelligentie tussen generaties, waarbij de kwaliteit van de genen gelijk is gebleven.

Deze twee multipliers werken volgens Dickens en Flynn tegelijkertijd. De individuele multiplier zorgt ervoor dat de potentie die er is in genetische verschillen tussen individuen sterk worden benut. De sociale multiplier zorgt ervoor dat enorme IQ toename te zien is tussen generaties. Nisbett et al pleiten ervoor dit nader te onderzoeken.