Stel dat je net een zak zoute chips hebt gegeten en dat je erg dorstig bent. Stel dat iemand je vraagt om in te schatten welke afstand er is tussen jou en een fles water die verderop op een tafel staat. Stel je nu eens voor dat je net drie glazen water hebt gedronken en geen dorst hebt. En dat iemand je nu dezelfde vraag stelt en je op precies dezelfde afstand van de fles water staat. Je zou denken dat je de afstand onder beide condities als even groot zou inschatten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Als je heel dorstig bent schat je de afstand kleiner in dan wanneer je helemaal geen dorst hebt. Hoe meer je naar iets of iemand verlangt, hoe kleiner je de afstand inschat.
Hoe dichterbij iets lijkt, hoe bereikbaarder het ook lijkt. Hoe bereikbaarder iets lijkt, hoe meer we bereid zijn om er moeite voor te doen om het te krijgen. Hoe verder weg iets lijkt, hoe onbereikbaarder het lijkt en hoe minder we bereid zijn moeite te doen om het te krijgen. En ons verlangen naar iets maakt dat we de afstand tussen ons en het object van ons verlangen kleiner inschatten dan het daadwerkelijk is. Een doel dat heel ver weg ligt, lijkt heel onbereikbaar en wordt daardoor heel onaantrekkelijk voor ons.
Piercarlo Valdesolo beschrijft in Scientific American over hoe anders wij fysieke afstand inschatten als we iets heel graag willen of als we iets helemaal niet zo graag willen. Hier kun je meer lezen.
In de oplossingsgerichte aanpak visualiseren we de gewenste toekomst op een levendige en concrete wijze en we helpen de cliënt om kleine stappen voorwaarts te formuleren. Die gewenste toekomst lijkt dan opeens een stuk bereikbaarder en dichterbij en het verlangen om het te bereiken groeit. Deze onderzoeken uit de neurowetenschap lichten weer een tipje van de sluier op over hoe het komt dat cliënten na een goed gevoerd oplossingsgericht gesprek graag in beweging komen.
woensdag 20 april 2011
Oplossingsgericht sturen is ook soms liefdevol negeren
Liefdevol negeren van negatieve uitingen of negatief gedrag kan net zo effectief zijn als het erkennen en waarderen van positieve uitingen en positief gedrag.
Mensen hoeven zich niet eerst slechter te voelen om zich beter te kunnen gaan gedragen. Positieve gedragsverandering is mogelijk zonder dat iemand toegeeft dat hij schuldig of fout is geweest. Subtiel enthousiast reageren op positieve verandering en liefdevol negeren van negatief gedrag heeft als voordeel dat iemand zonder gezichtsverlies kan gaan voldoen aan je doel.
Mensen hoeven zich niet eerst slechter te voelen om zich beter te kunnen gaan gedragen. Positieve gedragsverandering is mogelijk zonder dat iemand toegeeft dat hij schuldig of fout is geweest. Subtiel enthousiast reageren op positieve verandering en liefdevol negeren van negatief gedrag heeft als voordeel dat iemand zonder gezichtsverlies kan gaan voldoen aan je doel.
Groeimindset en het onderschatten of overschatten van het effect van je inspanning
David B. Miele van de Columbia University deed onderzoek met Bridgid Finn van de Washington University in St. Louis en Daniel C. Molden van de Northwestern University. Hun vraag was:”schatten mensen die intelligentie zien als ontwikkelbaar hun leerprestaties anders in dan mensen die intelligentie zien als een vast gegeven?” Ze hanteerden de heuristiek "gemakkelijk geleerd is gemakkelijk onthouden" daarbij als ijkpunt.
Om te testen of de overtuiging over intelligentie van mensen hun beoordeling van hun eigen leerprestaties beïnvloeden deden de onderzoekers meerdere experimenten. In het eerste experiment bestudeerden 75 Engelstalige studenten 54 paren van Indonesisch-Engelse vertalingen. Sommige woordparen waren eenvoudig te onthouden (Polisi-Police). Sommige woordparen waren iets ingewikkelder (Bagasi-Lugage). Sommige woordparen waren moeilijk (Pembalut-Bandage). Nadat ze de woordparen zo lang als ze maar wilden hadden bestudeerd, vroegen de onderzoekers hoeveel vertrouwen de deelnemer had in het geven van het juiste Engelse woord in de test die zometeen ging komen. Dus er werd gevraagd naar hun eigen beoordeling van hoe goed ze het hadden geleerd. Daarna deden ze de test. Na afloop vulden ze een vragenlijst in waaruit bleek of ze geloofden dat intelligentie ontwikkelbaar of statisch is. Een tweede experiment was wat ingewikkelder van opzet en belangrijk is dat de leertijd toen beperkt was en mensen niet net zo lang mochten studeren als ze wilden.
De resultaten van de experimenten waren de volgende:
1. Alle deelnemers herinnerden zich meer eenvoudige woordparen dan moeilijke woordparen
2. Mensen die geloofden dat intelligentie een vaststaand gegeven bleken inderdaad de regel te geloven "gemakkelijk geleerd is gemakkelijk onthouden". Ze schatten hun potentiële leerprestaties relatief hoger in naarmate ze minder tijd hadden besteed aan het leren.
3. Mensen die geloofden dat intelligentie ontwikkelbaar is, schatten potentiële hun leerprestaties hoger in naarmate ze meer tijd hadden besteed. Ze bleken juist de omgekeerde regel te geloven:"hoe meer inspanning geleverd, hoe beter ik het zal onthouden". Dit bleek alleen op te gaan als ze zelf mochten bepalen hoe lang ze studeerden op de woordparen (experiment 1).
4. Mensen die geloofden dat intelligentie ontwikkelbaar is overschatten hoe goed ze zouden presteren op de moeilijke woordparen en onderschatten hoe goed ze zouden presteren op de eenvoudige woordparen
5. Mensen die geloofden dat intelligentie een vaststaand gegeven is, schatten accuraat in hoe goed ze zouden gaan presteren op de test om woordparen te herinneren (ze schatten hun prestaties overigens als lager in dan ze daadwerkelijk waren)
De onderzoekers stellen: het hebben van een bepaalde overtuiging over intelligentie leidt ertoe dat mensen hun eigen leerprestaties verschillend inschatten.
Het lijkt erop dat mensen die geloven dat intelligentie ontwikkelbaar is, en die geloven dat hoe meer inspanning ze verrichten hoe beter hun resultaten zullen zijn, hun daadwerkelijke resultaten kunnen overschatten. Het doet me denken aan de wet van de afnemende meeropbrengst: voorbij een bepaald optimaal punt leidt meer inspanning niet tot betere resultaten.
De onderzoekers pleiten voor nader onderzoek op twee gebieden:
1. hoe beïnvloeden de overtuigingen over intelligentie tezamen met de inschatting van de eigen leerprestatie de keuzes die studenten maken om zich al dan niet in te spannen voor diverse onderdelen van hun studie?
2. hoe kunnen studenten worden geholpen om betere inspanningskeuzes te maken?
Om te testen of de overtuiging over intelligentie van mensen hun beoordeling van hun eigen leerprestaties beïnvloeden deden de onderzoekers meerdere experimenten. In het eerste experiment bestudeerden 75 Engelstalige studenten 54 paren van Indonesisch-Engelse vertalingen. Sommige woordparen waren eenvoudig te onthouden (Polisi-Police). Sommige woordparen waren iets ingewikkelder (Bagasi-Lugage). Sommige woordparen waren moeilijk (Pembalut-Bandage). Nadat ze de woordparen zo lang als ze maar wilden hadden bestudeerd, vroegen de onderzoekers hoeveel vertrouwen de deelnemer had in het geven van het juiste Engelse woord in de test die zometeen ging komen. Dus er werd gevraagd naar hun eigen beoordeling van hoe goed ze het hadden geleerd. Daarna deden ze de test. Na afloop vulden ze een vragenlijst in waaruit bleek of ze geloofden dat intelligentie ontwikkelbaar of statisch is. Een tweede experiment was wat ingewikkelder van opzet en belangrijk is dat de leertijd toen beperkt was en mensen niet net zo lang mochten studeren als ze wilden.
De resultaten van de experimenten waren de volgende:
1. Alle deelnemers herinnerden zich meer eenvoudige woordparen dan moeilijke woordparen
2. Mensen die geloofden dat intelligentie een vaststaand gegeven bleken inderdaad de regel te geloven "gemakkelijk geleerd is gemakkelijk onthouden". Ze schatten hun potentiële leerprestaties relatief hoger in naarmate ze minder tijd hadden besteed aan het leren.
3. Mensen die geloofden dat intelligentie ontwikkelbaar is, schatten potentiële hun leerprestaties hoger in naarmate ze meer tijd hadden besteed. Ze bleken juist de omgekeerde regel te geloven:"hoe meer inspanning geleverd, hoe beter ik het zal onthouden". Dit bleek alleen op te gaan als ze zelf mochten bepalen hoe lang ze studeerden op de woordparen (experiment 1).
4. Mensen die geloofden dat intelligentie ontwikkelbaar is overschatten hoe goed ze zouden presteren op de moeilijke woordparen en onderschatten hoe goed ze zouden presteren op de eenvoudige woordparen
5. Mensen die geloofden dat intelligentie een vaststaand gegeven is, schatten accuraat in hoe goed ze zouden gaan presteren op de test om woordparen te herinneren (ze schatten hun prestaties overigens als lager in dan ze daadwerkelijk waren)
De onderzoekers stellen: het hebben van een bepaalde overtuiging over intelligentie leidt ertoe dat mensen hun eigen leerprestaties verschillend inschatten.
Het lijkt erop dat mensen die geloven dat intelligentie ontwikkelbaar is, en die geloven dat hoe meer inspanning ze verrichten hoe beter hun resultaten zullen zijn, hun daadwerkelijke resultaten kunnen overschatten. Het doet me denken aan de wet van de afnemende meeropbrengst: voorbij een bepaald optimaal punt leidt meer inspanning niet tot betere resultaten.
De onderzoekers pleiten voor nader onderzoek op twee gebieden:
1. hoe beïnvloeden de overtuigingen over intelligentie tezamen met de inschatting van de eigen leerprestatie de keuzes die studenten maken om zich al dan niet in te spannen voor diverse onderdelen van hun studie?
2. hoe kunnen studenten worden geholpen om betere inspanningskeuzes te maken?
Abonneren op:
Berichten (Atom)